Rikus Poes terug op de Kleine Voorstraat

Rikus Poes onthuld

Ineens was hij er weer op de Voorstraat: Rikus Poes. Toen zijn dochters de Harlinger vlag van zijn kop trokken, kreeg ik echt kippenvel.
De herinneringen schoten door mijn hoofd. Wat hebben we die Drosten en Houbijns samen jarenlang in de maling genomen. Rikus Attema bij de Harlinger Courant en Wout Gerstel bij het Harlinger Nieuwsblad.

door Ger Welstout

Rikus PoesOnze beide bazen dachten dat wij duizendpoten waren. Overal waren we tegelijk en toch zelden zag iemand ons samen. We verdeelden gewoon wekelijks de uitnodigingen en gaven de verslagen aan elkaar door. Lang leve het carbon-papier!

Alleen op donderdag trokken wij als redacteuren van de concurrerende Harlinger bladen zichtbaar gezamenlijk op naar het Noordijs. Daar zetelde de politie en inspecteur Spoelstra ontving de pers in al zijn hoge waardigheid. Het grote boek met dag en nacht rapporten ging open en de machtige “wijs”-vinger van Spoelstra gleed over de bladzijden.

Verbazingwekkend weinig was er vermeld in dit imposante boek-werk. Dus weinig nieuws. Maar dan trok Rikus van leer: “Ik meen toch begrepen te hebben dat mevrouw J.  op de Wasbleek haar man van de trap heeft gegooid.” Spoelstra keek ons aan of hij water zag branden, hoe wist Rikus dat nou weer?

Rikus had een uitgebreid netwerk van tipgevers.
Niet zelden lag er ’s nachts plotseling een briefje in de brievenbus van Rikus’ woning op het hoekje van de Prinses Julianastraat. Die briefjes leken soms wel zo overgeschreven uit het dag en nacht rapport op het politiebureau. En ik zal de laatste zijn om dat te bestrijden.

Het gerucht ging dat Rikus wel eens kwartjes uitdeelde voor tips, maar het kan ook een sterk verhaal van de Poes geweest zijn. Ook toen was de relatie tussen pers en politie een soort haat-­liefde verhouding. In Harlingen hadden we er zelden echt last van, maar dat was vermoedelijk te danken aan de kwartjes van Rikus. Toch liep Poes Attema ooit eens tegen een fikse bekeuring aan bij een rood licht van een oversteekplaats. Samen met zijn baas Fokke Drost trok Attema naar Groningen voor een journalistiek evenement. Bij zo’n oversteekplaats negeerden Fokke en Rikus het rood en aan de andere kant stond een soort bromsnor. De heren werden staande gehouden en het bonnenboekje kwam tevoorschijn. Drost en Attema gaven hun namen en beroepen op. Baas Fokke meldde dat hij “drukker” was en Rikus bekende dat hij als “journalist” zijn brood verdiende. Resultaat: Fokke kreeg 5 gulden bekeuring en Rikus een tientje! Dat waren wel 40 kwartjes!
Ik weet niet of deze anekdote ooit in de rubriek “Langs Stad en Wad” is opgenomen.

Feit blijft dat Rikus terug is op het Pypke compleet met sien brommer en ut notitieboekje. Hij heeft uitzicht op het voormalige kantoor van de Harlinger Courant. Een terecht eerbetoon aan mijn leermeester bij de concurrent…..